Vernieuwing van het socialisme

De vernieuwing van het socialisme

Zijn deelname aan Wereldoorlog I als oorlogsvrijwilliger, zijn verblijf in het revolutionaire Rusland in 1917 alsook zijn Amerikaanse ervaringen in de jaren 1918-1920, brachten een hele ommekeer in het denken van Hendrik de Man teweeg, die hijzelf op treffende wijze heeft omschreven als “the Remaking of a Mind”. In de eerste plaats was er de sterk gestegen waardering van de politieke democratie, een begrip waarmee hij niet alleen de meer courante betekenis, namelijk de regeringsvorm die berust op de instemming van de geregeerden, viseerde, maar ook en vooral de politieke rechten en vrijheden. Om zijn oorlogsdeelname voor zichzelf te rechtvaardigen, vond hij steun in de moreel hoogstaande 14-puntenverklaring van de Amerikaanse president Woodrow Wilson; de inzet van alle offers en strijd kon in laatste instantie worden teruggebracht tot “een burgeroorlog op wereldschaal voor de instelling van de politieke democratie“. In Rusland was hij ten zeerste ontstemd geweest door de bolsjewistische minachting voor de democratie welke aanleiding had gegeven tot een nieuw despotisme dat in geen enkel opzicht aanspraak kon maken op de kwalificatie “socialisme” en er veeleer een karikatuur was van geworden. De politieke democratie werd door hem bijgevolg van essentieel belang geacht niet alleen om het socialisme te realiseren, maar ook om het te definiëren: “In Rusland ontmoette ik het socialisme zonder democratie, en in Amerika de democratie zonder socialisme. Wat mij betreft, indien ik zou moeten kiezen, dan zou ik nog liever leven in een democratie zonder socialisme dan in een socialistisch regime zonder democratie. Dat wil niet zeggen dat ik meer democraat ben dan socialist. Dat betekent alleen maar dat een democratie zonder socialisme toch nog altijd een democratie blijft, terwijl socialisme zonder democratie zelfs geen socialisme meer is”.

In de tweede plaats was er de tragische afwikkeling van Wereldoorlog I: het revanchisme van de overwinnaars, de scheuring van de Tweede Internationale, het uitblijven van daadwerkelijke garanties aangaande een betere internationale ordening. Volgens De Man was het zaak om daaruit de passende conclusies te trekken ten aanzien van de socialistische beweging. Ondanks alle revolutionaire fraseologie had die beweging steeds meer genoegen genomen met reformisme en verburgerlijking, fenomenen die paradoxaal genoeg in zijn ogen juist door de marxistische theorie werden aangemoedigd: het geloof in de onafwendbare overgang van kapitalisme in socialisme bleek een afwachtende houding te begunstigen; de loutere verdediging van de arbeidersbelangen werkte bovendien een integratie in de gevestigde orde in de hand.

De Man riep op om afstand te doen van het economische determinisme ten gunste van “een denkwijze, die aan de mens als psychologisch reactiesubject de voornaamste betekenis toeken(de)”. Een individuele keuze voor het socialisme vond niet plaats op grond van een welbepaalde positie in het kapitalistische productieproces, maar op grond van motieven die ontleend waren aan vóór-kapitalistische tendensen en rechtsvoorstellingen. Het waren deze motieven die centraal dienden te staan. Democratie én socialisme gingen terug op dezelfde motieven die, uitgaande van de gelijkheidsgedachte van het christendom, een tendens naar toenemende zelfbeschikking aanwezen. De specifieke bijdrage van het socialisme aan die tendens bestond volgens hem voornamelijk hierin dat het de politieke democratie niet alleen wenste te verruimen tot alle burgers, maar ze ook en vooral wou uitbreiden tot een maatschappelijke en economische democratie. Maar hierbij konden volgens De Man niet om het even welke actiemiddelen worden ingezet. Enkel de middelen die hun oorsprong vonden in hetzelfde motief als het doel, waren gerechtvaardigd te noemen. Zoals hij het zelf in zijn Psychologie van het Socialisme verwoordde: ‘Geen waarderingsoordeel over een sociale beweging is af te lezen uit het door haar nagejaagd einddoel. Het motief voor het heden, niet het doel voor de toekomst beslist alleen” . Voor hem was wellicht de meest belangrijke les uit de Eerste Wereldoorlog de volgende: elk type van denken verwerpen waarvoor het doel de middelen heiligt: “Door een slecht middel – het deelnemen aan een oorlog – is een goed doel – de overwinning van de oorlog – niet te bereiken. Evenmin kan men de vrijheid door het despotisme, de democratie door de dictatuur, de geweldloosheid door het gebruikmaken van geweld verwezenlijken”.

Over de geestelijke erfenis van Hendrik de Man vond op 12 december 2003 een colloquium plaats in het Bondsgebouw te Antwerpen. De acta hiervan werden gepubliceerd in Bulletin nr. 13 van de Vereniging. Zie voor meer informatie eveneens: Michel Brélaz. Une autre idée du socialisme (zie thema “Beschikbare publicaties”).

 

 

 

Biografie

OVER HENDRIK DE MAN

 

Hendrik de Man werd geboren in 1885 te Antwerpen in een welgesteld liberaal burgersgezin. Al op jonge leeftijd werd hij een vurig aanhanger van het marxisme. Hij studeerde economie, psychologie, wijsbegeerte en geschiedenis te Leipzig. Tussen de twee wereldoorlogen werd hij één van de voornaamste denkers en schrijvers op het gebied van de sociale psychologie in België en in Europa. Hij was secretaris van de Internationale der Socialistische Jonge Wachten, oorlogsvrijwilliger tussen 1914 en 1918, stichter van de Centrale voor Arbeidersopvoeding en van de Arbeidershogeschool, hoogleraar te Frankfurt am Main en te Brussel in de sociale psychologie. Hij raakte ook bekend met een aantal ophefmakende sociaal-theoretische werken in verschillende Europese talen: La joie au travail (Arbeidsvreugde), Zur Psychologie des Sozialismus (of Au delà du marxisme) en L’idée socialiste.

Het marxisme wilde hij te boven gaan met een humaan en ethisch socialisme. De economische crisis wilde hij bezweren met het bekende Plan van de Arbeid. In 1935 werd hij minister van Openbare werken en Opslorping van de werkloosheid, later minister van Financiën. Vooral onder invloed van deze ervaringen groeide zijn kritiek op het Belgische parlementaire regime en raakte hij politiek veeleer geïsoleerd. Niettemin verkoos de Belgische Werkliedenpartij hem in 1939 tot voorzitter.

Na de Duitse invasie van mei 1940 was Hendrik de Man overtuigd van de overwinning van Hitler-Duitsland en het definitieve einde van het parlementaire regime in België. Dat verkondigde hij althans in zijn spraakmakende Manifest van 28 juni 1940. Maar toen bleek dat hij zich niet op dezelfde golflengte bevond als de bezetter, dook hij onder in de Franse Haute Savoie. In 1944 verkreeg hij asiel in Zwitserland. In 1946-1947 werd De Man door het Belgische gerecht bij verstek veroordeeld, aangezien hij ’s vijands bedoelingen ‘kwaadwillig’ zou hebben gediend. Samen met zijn echtgenote verloor hij in 1953 het leven in een verkeersongeval.

Rond de persoon en het denken van Hendrik de Man is na de Tweede Wereldoorlog een ‘conspiration du silence’ ontstaan. Daaraan kwam pas in de jaren zeventig een einde met onder meer de organisatie van een colloquium in Genève (1973) en de oprichting van een vereniging voor de studie van zijn werk. In de jaren 1974-1976 werden zijn geschriften in het Nederlandse taalgebied heruitgegeven door de Standaard Wetenschappelijke Uitgeverij. In 1985 werd naar aanleiding van zijn honderdste geboortedag een tentoonstelling aan hem gewijd in het AMVC-Antwerpen. De laatste jaren vonden eveneens te Antwerpen diverse colloquia plaats, namelijk over zijn intellectuele erfenis (12 december 2003), over “Hendrik de Man en het jaar 1940” (op 10 december 2004) en over het planisme (op 18 november 2005), over socialisme, religie en morele waarden (op 28 november 2006), over politieke en sociale democratie (op 20 april 2007) en over socialisme en nationalisme (op  16 november 2008).